Stamboel

Een Stamboelvoorstelling

Het is half negen. Het stamboelorkest, dat beneden aan het voetlicht van het podium opgesteld staat, zet een opwekkende mars in. Dan verstomt de muziek en volgt een oorverdovend applaus. De toeschouwers joelen en schreeuwen van jewelste, wanneer een bel aankondigt dat het spel spoedig zal beginnen.

De tent is al overvol en er stromen nog steeds mensen naar binnen, terwijl er geen zitplaats meer over is.

Kom, zie en oordeel zelf, de slagzin heeft meer publiek naar de voorstelling gelokt, dan er zitplaatsen zijn.

Een tweede keer begint het stamboelorkest te spelen. Als de bel weer luid rinkelend klinkt, zet het orkest een slepende wals in. Onder luid gejoel en gejuich en schril gefluit gaat het doek op. Op de bühne staan in twee rijen de twaalf acteurs en vier actrices naast elkaar, die de toeschouwers zingend begroeten. Vervolgens verlaten ze het podium om achter de coulissen te verdwijnen. De voorstelling van hedenavond Ali Baba en de veertig rovers met in de hoofdrol August ‘Guus’ Mahieu, die het stuk zelf geschreven en geregisseerd heeft, begint.

Tussen de akten door brengen twee narren de toeschouwers voortdurend aan het lachen. De potsenmakers zingen tot groot vermaak van het publiek o.a. het typisch Hollands-Maleis rijmpje:

En satoe en satoe en satoe, dat is één,

En batoe en batoe en batoe, dat is steen,

En roti en roti en roti, dat is brood,

En mati en mati en mati, dat is dood.

De boewaja’s op de plankengalerij hebben al een flinke slok op. Ze slaan en stompen elkaar, terwijl ze gieren van het lachen. Een van de vechtersbazen deelt een te harde klap uit en onmiddellijk ontstaat er een vechtpartij. Anderen springen tussenbeide en het opstootje wordt vanavond gelukkig in de kiem gesmoord.

Even voor elven treedt een van de actrices dansend naar voren. Rinkelende belletjes aan de enkels. Heupwiegend kondigt ze een pauze van tien minuten aan. Iedereen haast zich naar buiten voor wat frisse lucht. Voor de dorstige kelen en hongerige magen zijn er hapjes en drankjes verkrijgbaar bij de tientallen kraampjes.

Na de pauze wordt de laatste akte gespeeld. Als de slotscène geëindigd is, gaat het doek omlaag. Een van de acteurs komt voor het voetlicht om de voorstelling van de volgende avond aan te kondigen: Aboe Hassan, een klucht uit Duizend-en-een-nacht. Daarna zet het orkest een wals in en gaat het voorscherm weer op. Enkele acteurs en actrices vormen een tableau vivant. Dan zakt het doek voor de laatste maal en onder de tonen van ‘Wien-Neêrlandsch-bloed’ begeeft het publiek zich naar buiten.

De Bedenker

In 1890 kwam August ‘Guus’ Mahieu op het idee een toneelvorm in het leven te roepen, die geheel aansloot bij de smaak van het Indische publiek: deKomedie Stamboel of de Oost-Indische opera. Hij bedacht een theaterstuk dat een ieder uit de Indische samenleving aansprak, boeide en amuseerde: Blanda’s, Indo’s, Chinezen, Hindoestanen, Arabieren, Javanen en Madoerezen.

Om zijn doelgroep te bereiken moest Mahieu het theater en de opera van oost en west tot een harmonieuze synthese van spel, zang, dans, muziek en satire combineren. Het oosterse element van de Komedie Stamboel berustte op de keuze van het repertoire: de verhalen uit de wereldberoemde sprookjesvertellingen ‘Duizend en een nacht’.

De kostuums waren ontleend aan de oosterse klederdracht met zijn vele bonte kleuren en kenmerkten zich vooral door de rode fez en witte tulband, die de acteurs als hoofd-deksel droegen.

Ook koos Mahieu voor een taal die door het gehele publiek begrepen werd: het Maleis. Door haar lieflijke en welluidende klanken, haar kracht en deftigheid leende deze taal zich uitstekend voor voordracht en zang.

Het westerse element liet Mahieu vooral tot uiting komen in de decors, het spel en het orkest. De muziek, zang en dans waren veelal gebaseerd op westerse melodieën, zoals walsen, polka’s, mazurka’s en marsmuziek. Daaraan voegde Mahieu nog bekende Indische wijsjes toe, die hij zo veranderde en arrangeerde dat ze geheel pasten bij het toneelstuk.

Mahieu wist dat hij met een juiste locatie en een sterke rolbezetting, waarvoor hij uit vele jonge talenten in Soerabaja een keuze kon maken, zijn beoogde doel zou kunnen realiseren: een theaterstuk dat een breed publiek zou vermaken.

De Repetities

Met enkele getalenteerde jonge mannen en vrouwen uit zijn woonplaats Soerabaja lukte het August Mahieu een goed acterende groep neer te zetten. Voor het muziek-ensemble, het stamboelorkest, had Mahieu een ruime keuze uit veel muzikaal begaafde jonge mensen. Binnen korte tijd had hij een orkest bijeengebracht, dat alle muziekstijlen beheerste en uitvoerde.

Mahieu huurde een groot woonhuis en richtte het als toneelzaal in. Hij begon met de repetities waarbij hijzelf als regisseur optrad. In besloten kring werden voorstellingen gegeven van o.a. Aladin en de wonderlamp (Aladin bersama lampoe wasiat), Ali Baba en de veertig rovers (Ali Baba dengan empat poeloeh penjamon) en De visser en de geest (Penangkap ikan dengan soeatoe Djin).

De eerste voorstellingen waren nog niet geschikt om openbaar vertoond te worden.

Pas na langdurige repetities en vele try-outs voor eigen kring werd het publiek toegelaten tot de voorstellingen. Aanvankelijk gratis, maar toen het spel minder stijfjes was en steeds vlotter ging, werd er entreegeld geheven.

Al spoedig nam de belangstelling van het publiek voor de Komedie Stamboel toe en was August Mahieu een bekende Indo geworden. Binnen enkele maanden was de Oost-Indische opera of Komedie Stamboel, kortweg Stamboel, een begrip geworden in heel Indië.

Theme by Danetsoft and Danang Probo Sayekti inspired by Maksimer